Met twee of meer oprichters is de standaard Nederlandse structuur één persoonlijke Holding BV per oprichter, die samen één gedeelde Operating BV bezitten. Elke Holding haalt de drempel van ≥5% voor de deelnemingsvrijstelling, zodat het aandeel van elke oprichter in dividenden en exitopbrengsten vrij van Nederlandse vennootschapsbelasting naar de eigen Holding stroomt. Een gedeelde Holding klit ieders geld door elkaar, vermijd dat.
De standaardvorm
Stel je drie medeoprichters voor: Anna, Bram en Chiara. Ieder van hen bezit volledig een persoonlijke Holding BV: Anna Holding BV, Bram Holding BV, Chiara Holding BV. Die drie Holdings bezitten samen één Operating BV, de handelsentiteit die contracten tekent, mensen in dienst neemt, de bankrekening aanhoudt en aan klanten verkoopt. Als ze de aandelen gelijk verdelen, bezit elke Holding een derde van de Operating BV.
De eigendom loopt dus via twee lagen. Onderaan doet de Operating BV alle handel. In het midden bezitten drie Holdings elk hun stukje ervan. Bovenaan bezit elke oprichter persoonlijk zijn eigen Holding. Niemand bezit de Operating BV rechtstreeks: elke oprichter zit achter zijn eigen holdingmaatschappij.
Dit is hetzelfde idee van een Holding-erbovenop dat in de gids over holdingstructuren behandeld wordt, alleen vermenigvuldigd over het oprichtersteam. De versie met één oprichter is één Holding boven één OpCo; de versie met meerdere oprichters is meerdere Holdings boven één gedeelde OpCo. De redenen waarom het de moeite waard is, nemen toe met het aantal oprichters, niet af.
Waarom één Holding per oprichter de standaard is
De ingeving van een nieuw team is vaak om één gedeelde Holding op te zetten die de Operating BV bezit, waarbij de oprichters de gedeelde Holding samen bezitten. Op een whiteboard ziet het er netjes uit. In de praktijk is het andersom, en zo wint de versie per oprichter:
- Elke oprichter beheert zijn eigen cash. Als een dividend je persoonlijke Holding bereikt, is het van jou alleen. Jij beslist wanneer je het naar jezelf uitkeert, wanneer je het herinvesteert en wat je er daarna mee doet. In een gedeelde Holding is elke uitkering een gezamenlijk besluit, en botst de behoefte aan cash van de ene oprichter met de wens van de andere om het in de onderneming te houden.
- Elke oprichter regelt zijn eigen belasting. Jouw persoonlijke box 2-timing, jouw DGA-salaris, jouw volgende onderneming, het zit allemaal binnen je eigen Holding zonder de anderen te verstrengelen. Een gedeelde Holding dwingt iedereen in hetzelfde schema.
- Schone exits en gedeeltelijke verkopen. Als één oprichter zijn belang wil verkopen of het bedrijf verlaat, verplaats je aandelen in de Operating BV tussen Holdings, of verkoop je de Holding van die oprichter, zonder de anderen te storen. Een gedeelde Holding maakt de exit van één oprichter tot een chirurgische ingreep in een structuur waar iedereen van afhankelijk is.
- Elke Holding komt op eigen titel in aanmerking voor de deelnemingsvrijstelling. Dit is de technische kern ervan, en de volgende twee secties pluizen het uit.
De korte versie, in de woorden van de gids over holdingstructuren: een gedeelde Holding klit dividendstroom en exitopbrengsten over oprichters heen, vermijd dat dus. Eén Holding per oprichter houdt ieders geld, belasting en exit onafhankelijk, terwijl het team toch samen één bedrijf bezit en runt.
Hoe dividenden naar boven stromen
Volg het geld van onder naar boven. De Operating BV verdient handelswinst en betaalt daarover Nederlandse vennootschapsbelasting (Vpb): 19% over de eerste € 200.000 winst en 25,8% daarboven in 2026. Wat overblijft, is winst na belasting die in de Operating BV zit.
Als de oprichters besluiten uit te keren, betaalt de Operating BV een dividend, verdeeld over haar aandeelhouders naar rato van hun belang. Met drie gelijke Holdings stuurt een uitkering van € 300.000 € 100.000 omhoog naar elke Holding. Cruciaal is dat dat dividend bij elke Holding aankomt vrij van verdere Nederlandse vennootschapsbelasting, omdat het belang van elke Holding in aanmerking komt voor de deelnemingsvrijstelling (hierna behandeld). De winst werd één keer belast, in de Operating BV; hij wordt niet opnieuw belast als hij naar boven beweegt.
Vanaf daar beheert elke oprichter zijn eigen stukje. De cash kan in de Holding blijven, herinvesteerd worden of aan de oprichter persoonlijk worden uitgekeerd, waarop de persoonlijke belasting in box 2 (inkomen uit aanmerkelijk belang, ruwweg 24,5% tot ongeveer € 67.000 en 31% daarboven in 2026) uiteindelijk van toepassing wordt, maar alleen voor de oprichter die het geld daadwerkelijk opneemt, en alleen wanneer hij dat kiest. Voor de volledige set van vennootschaps- en box 2-cijfers van 2026 achter deze getallen, zie de gids over Nederlandse BV-belasting 2026.
Het opzetten van meerdere Holdings boven één OpCo is precies waar ons Holding + Operating-pakket voor gemaakt is. Bekijk de dienst holdingstructuur →
De deelnemingsvrijstelling, toegepast per oprichter
De deelnemingsvrijstelling is de regel die dividenden en vermogenswinsten op een kwalificerend aandelenbelang vrijstelt van Nederlandse vennootschapsbelasting. De belangrijkste voorwaarde is de drempel van ≥5%: een Holding moet minimaal 5% van het nominaal gestorte aandelenkapitaal van de dochter bezitten. Het is vastgelegd in artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb), en de volledige mechaniek, inclusief de motief-, onderworpenheids- en bezittingentoets, staat in de gids over de deelnemingsvrijstelling.
Wat voor een oprichtersteam telt, is dit: elke Holding wordt op zichzelf getoetst. De drempel van 5% wordt per Holding gemeten, tegen het eigen belang in de Operating BV. Zolang de Holding van geen enkele oprichter minder dan 5% van de OpCo bezit, kwalificeert elke Holding dus zelfstandig, en is het aandeel van elke oprichter in dividenden en exitwinsten vrijgesteld bij zijn Holding.
Bij een typisch oprichtersteam van twee tot vijf personen die de aandelen verdelen, zit elke oprichter ruim boven 5%, dus kwalificeert elke Holding. De drempel wordt pas een reëel aandachtspunt bij grotere oprichtersgroepen, of na sterke verwatering door meerdere financieringsrondes, waar een oprichter in principe onder 5% zou kunnen zakken. Als je een cap table ontwerpt waarbij iemand dicht bij de grens komt, is het de moeite waard om de verwatering door te rekenen voordat je opricht.
| Oprichter | Belang in OpCo | Deelnemingsvrijstelling? |
|---|---|---|
| Anna Holding BV | 40% | Ja |
| Bram Holding BV | 35% | Ja |
| Chiara Holding BV | 20% | Ja |
| Vroege werknemer (rechtstreeks) | 3% | Nee, onder 5% |
Het contrast met aandelen persoonlijk houden is scherp. Een oprichter die de Operating BV rechtstreeks bezit, zonder Holding, betaalt box 2-belasting over dividenden en exitwinsten zodra ze ontstaan, zonder uitstel. Een oprichter achter een kwalificerende Holding ontvangt dezelfde dividenden belastingvrij bij de Holding en betaalt pas persoonlijke belasting wanneer hij het geld eruit haalt. Over een decennium en een echte exit loopt dat verschil, zoals het uitgewerkte voorbeeld in de gids over de deelnemingsvrijstelling laat zien, op tot zeven cijfers.
Mechaniek van de cap table
De cap table van een structuur met meerdere oprichters heeft één regel waar mensen over struikelen: de aandeelhouders van de Operating BV zijn de Holdings, niet de oprichters. Als je het aandeelhoudersregister van de OpCo leest, zie je "Anna Holding BV: 40%", niet "Anna: 40%". De namen van de oprichters staan een niveau hoger, in de registers van hun eigen Holdings.
Dat tweelaags register heeft een paar praktische gevolgen die je vanaf het begin goed wilt regelen:
- De aandelenverdeling wordt bij de OpCo vastgelegd. Het percentage dat elke oprichter uiteindelijk heeft, is het percentage dat zijn Holding van de Operating BV bezit. Bepaal en leg de verdeling vast vóór de oprichting; deze later wijzigen betekent OpCo-aandelen tussen Holdings overdragen, wat fiscale gevolgen kan hebben.
- Investeerders stappen in bij de Operating BV. Als je financiering ophaalt, neemt de investeerder rechtstreeks nieuwe aandelen in de Operating BV. De oprichters houden de controle via hun Holdings, en de ronde verwatert het percentage van elke Holding evenredig. Dit is het voordeel van de schone financieringsronde van de Holding-erbovenop, nu verspreid over het hele team.
- Optiepools zitten bij de Operating BV. Werknemersaandelen (een ESOP of een via een STAK beheerde pool) worden op OpCo-niveau gecreëerd, naast de Holdings van de oprichters, zodat optiehouders meedelen in de handelsentiteit zonder in iemands persoonlijke Holding te zitten. Zie de gids over ESOP en aandelenopties voor hoe de pool gestructureerd wordt.
- De exit van een oprichter is een gebeurtenis op Holding-niveau. Als Bram vertrekt, kan het team de aandelen van Bram Holding BV in de OpCo uitkopen, of Bram Holding BV zelf kopen. Hoe dan ook blijft het ingekapseld, de Holdings van de andere oprichters worden niet aangeraakt.
Als je al één Operating BV runt en er sluit een medeoprichter aan, hoef je niet vanaf nul opnieuw te bouwen: elke oprichter zet een Holding op en de OpCo-aandelen worden eronder geregeld. Zoals bij elke herstructurering is het veel goedkoper om dit te doen terwijl de waarde van het bedrijf nog laag is, dezelfde achteraf-toevoegen-logica die geldt bij het later toevoegen van één Holding.
Waar elk DGA-salaris zit
Het DGA-salaris van elke oprichter zit bij zijn eigen Holding, niet bij de Operating BV. Elke oprichter is directeur-grootaandeelhouder (DGA) van zijn eigen Holding, dus elke Holding betaalt zijn oprichter het gebruikelijke salaris (de gebruikelijkloon-ondergrens van € 58.000 in 2026), en de Operating BV betaalt elke Holding een managementfee om dat te financieren.
De gebruikelijkloonregeling wordt één keer per oprichter toegepast, binnen de eigen groep van die oprichter, dus elke oprichter rekent op één ondergrens van € 58.000, niet één per BV. Dit houdt de salarisverplichtingen netjes gescheiden, de loonadministratie van elke oprichter is zijn eigen zaak, en het houdt de Operating BV vrij van verstrengelingen met persoonlijk salaris, wat van belang is voor de waardering en voor het binnenhalen van investeerders. De volledige mechaniek, inclusief de routes voor een lager salaris en de situatie van een in het buitenland wonende oprichter, staat in de gids over DGA-salaris 2026.
De aandeelhoudersovereenkomst tussen de Holdings
De statuten van de Operating BV leggen het kale juridische kader vast, maar daar regelen medeoprichters niet de zaken die daadwerkelijk geschillen veroorzaken. Dat is de taak van een aandeelhoudersovereenkomst die tussen de Holdings (en meestal de oprichters persoonlijk) wordt getekend, en die doorgaans dekt:
- Vesting en vertrekregelingen, zodat een oprichter die vroeg vertrekt niet met volledige aandelen weggaat, en er een duidelijk mechanisme is voor wat er met de aandelen van zijn Holding gebeurt.
- Drag-along- en tag-along-rechten, zodat een meerderheid een verkoop kan doorzetten en een minderheid op dezelfde voorwaarden kan meedoen.
- Voorbehouden besluiten, de beslissingen die een versterkte meerderheid of unanieme instemming vereisen (schuld aangaan, aandelen uitgeven, het bedrijf verkopen).
- Dividendbeleid, een basisafspraak over wanneer de Operating BV uitkeert, ook al beheert elke oprichter daarna zijn eigen cash zodra die zijn Holding bereikt.
Het is veel goedkoper om deze voorwaarden af te spreken terwijl iedereen aan het begin op één lijn zit, dan erover te ruziën als er geld of een ruzie in het spel is. Wij zijn niet je advocaten, maar we wijzen je erop waar je er een nodig hebt voordat je opricht. Praat met ons over je oprichtersstructuur →
Veelgemaakte fouten
- De val van de gedeelde Holding. De allervaakst gemaakte fout: één Holding die door alle oprichters wordt bezeten, boven de OpCo. Het klit ieders cash, belasting en exits door elkaar. Eén Holding per oprichter is de oplossing.
- Een oprichter onder 5%. In een groter team of na verwatering kan de Holding van een oprichter onder de drempel van de deelnemingsvrijstelling zakken, waardoor de vrijstelling op dat belang vervalt. Reken de verwatering door voordat je de verdeling vastlegt.
- Aandelen persoonlijk houden "om het simpel te houden". Een oprichter die zijn Holding overslaat en de OpCo rechtstreeks bezit, betaalt box 2-belasting over dividenden en exitwinsten zonder uitstel, terwijl de anderen uitstellen. Vandaag eenvoudiger, bij de exit veel duurder.
- Geen aandeelhoudersovereenkomst. Alleen op de statuten leunen laat vesting, vertrekkers en voorbehouden besluiten ongedefinieerd. Dit is waar de meeste medeoprichtersgeschillen beginnen.
- Vergeten dat elke entiteit een compliance-eenheid is. Elke Holding plus de Operating BV deponeert haar eigen jaarrekening en houdt haar eigen boeken bij. Bouw dat vanaf het begin in je compliance-kalender.
Veelgestelde vragen
Het kan gemengd, maar het is zelden een goed idee. Een oprichter die de Operating BV rechtstreeks houdt, kan de deelnemingsvrijstelling niet benutten: zijn dividenden en exitwinsten worden persoonlijk belast in box 2 zodra ze ontstaan, terwijl de Holding-oprichters die belasting uitstellen. In de praktijk zetten de schoonste medeoprichterstructuren elke oprichter achter zijn eigen Holding, zodat iedereen op dezelfde manier behandeld wordt.
De deelnemingsvrijstelling vereist een belang van minimaal 5%. Een oprichter wiens Holding onder de 5% zakt, verliest de vrijstelling op dat aandelenbelang, zodat dividenden naar zijn Holding belast worden. Dit speelt meestal alleen bij grotere oprichtersteams of na sterke verwatering; als je dicht bij de grens zit, regel het dan voordat je de cap table vastlegt.
Ja. De nieuwe oprichter zet zijn eigen Holding op, en aandelen in de Operating BV worden eraan uitgegeven of overgedragen, zodat elke Holding naast elkaar boven de OpCo komt te staan. Dit doen terwijl het bedrijf nog weinig waard is, is veel eenvoudiger en goedkoper dan nadat de waarde is opgebouwd, dezelfde logica als het achteraf toevoegen van een Holding in het algemeen.
Bij de eigen Holding van elke oprichter. Elke Holding betaalt zijn oprichter het gebruikelijke DGA-salaris (de ondergrens van € 58.000 in 2026), en de Operating BV betaalt elke Holding een managementfee om dat te financieren. De gebruikelijkloonregeling wordt één keer per oprichter toegepast binnen zijn eigen groep, niet per BV.
Ja, bijna altijd. De statuten van de Operating BV leggen het kale juridische kader vast, maar een aandeelhoudersovereenkomst tussen de Holdings dekt vesting, vertrekregelingen, drag-along en tag-along, voorbehouden besluiten en wat er gebeurt als een oprichter vertrekt. Het is het document dat de meeste medeoprichtersgeschillen voorkomt, en het is veel goedkoper om dit vooraf af te spreken dan er later over te procederen.
Ja. Elke Holding BV is een eigen rechtspersoon met een eigen KvK-inschrijving, boekhouding en jaarrekening die gedeponeerd wordt, en de Operating BV deponeert ook haar eigen. Dat is de afweging van de structuur: meer entiteiten om compliant te houden, in ruil voor een schone scheiding van de cash- en fiscale positie van elke oprichter.
Bouw je een bedrijf met medeoprichters? Wij zetten een Holding per oprichter op boven één gedeelde Operating BV. Bekijk de dienst holdingstructuur → of vergelijk structuren in de gids over holdingstructuren →